Lufhansa vlucht LH3217 richting Frankfurt, 15u00 Russische tijd. Ergens links achterin het vliegtuig zit een meisje met de krulletjes van een speelse leeuw op haar laptop te tokkelen. Af en toe fronst ze het hoofd en dan weer glimlacht ze in zichzelf om iets wat op haar computerscherm verschijnt. Ze is licht gebruind maar dit komt eerder door de pollutie dan door de zon. Die laat zich rond deze tijd nog niet te vaak zien in Sint Petersburg.
Ineens kijkt ze op. Blinkende ogen staren mij vol passie en wilskracht aan. Haar blik doordringt mijn hele wezen. Die ogen staan voor het leven, het alledaagse en het ongewone. Ze heeft duidelijk veel meegemaakt. Ik heb het verlangen met haar te praten, het verlangen haar aan te raken. Het lijkt of ze zou kunnen verdwijnen in de eeuwigheid. Ik wil haar voelen tussen mijn vingers om mij ervan te vergewissen dat ze in deze fysieke wereld blijft.
Ik ben duidelijk niet in staat om een woord uit te brengen en schuifel verlegen langs haar heen om in de passagiersstoel achter haar plaats te nemen. Haar aanwezigheid hitst mij op. Wat is er toch zo speciaal aan dit meisje? Mijn feromonen slagen helemaal op hol. Ik ben niet in staat mijzelf te controleren. Ik streel de leuning en beeld mij in dat het haar rug is. De welving doet me denken aan een Godin, gedwongen tot het aardse bestaan. Deze deerne maakt me gek.
Stiekem kantel ik mijn hoofd langs het zitje heen om mee te lezen op haar computerscherm; ‘
Wat mij deze twee weken overkwam kan ik onmogelijk vergelijken met een reeds bestaande droom, werkelijkheid of illusie. Jij hebt mij in de ban Sint-Petersburg. Je veroverde mij zonder enige pretentie, discrepantie of moeite. Ik, de altijd zo veeleisende vrouw. Het ligt niet in mijn aard mij zo makkelijk te geven. Even heb ik nog tegengestribbeld maar dan moest ik mij overlaten aan de grillen van jouw bestaan. Je raakt me diep. Mijn ziel voelt nog altijd je aanwezigheid ook al drijf ik steeds verder van je af. Laat mij niet los. Hou van me.’
De computer valt uit en in het zwarte scherm zie ik de weerspiegeling van haar ogen. Ik voel het schaamrood op mijn wangen verschijnen. Ze kijkt me teder aan en geeft mij een glimlach die mijn hele bestaan in twijfel trekt. Ik verdrink in haar ogen en laat me meevoeren in haar eeuwigheid; ‘Ik hou van je.’




















